Een gemeenschap (‘community’) is méér dan een markt. (Deel 2)

De homo economicus van Frankenstein
De homo economicus is een personage uit de economische mythologie en bestaat in werkelijkheid niet. Hij is, net als het monster van Frankenstein, een laboratoriumprodukt, een mythisch, kunstmatig geconstrueerd wezen dat zelfs zijn eigen schepper bedreigt zodra het een eigen leven mag gaan leiden.

Het even mythische begrip ‘economische gemeenschap’ houdt ook een ontkenning in van het verschil tussen fictie en werkelijkheid. Het adjectivum ‘economicus’ duidt op een bepaald aspect van het menselijk handelen: zijn wens om zo min mogelijk offers te hoeven brengen bij streven naar de bevrediging van zijn materiële behoeften. Het besef dat het hier niet gaat om de gehele mens maar om dat deel van hem dat met materiële zaken tevreden is te stellen, is nog wel aanwezig.

De kennis van het begrip ‘gemeenschap’ is echter inmiddels zo gebrekkig geworden, dat men zich bijna niets completers meer kan voorstellen dan een ‘economische gemeenschap’. Het is een pars pro toto geworden en tegelijk een eufemisme dat moet verhullen dat de sociale, morele, ideële, culturele en alle andere aspecten van de gemeenschap door het economische worden verdrongen. Economie was oorspronkelijk een instrument van de gemeenschap, maar nu is de gemeenschap een instrument van de economie geworden.

De gemeenschap, de community, is voor de mens (en vele andere aardse levensvormen) een belangrijker gegeven dan voorstanders van een puur economische politiek bereid zijn om toe te geven. Na voldoende water, voedsel, gezondheid en familie is het misschien wel de belangrijkste voorwaarde voor menselijk welzijn. Alleen in een bekende en vertrouwde omgeving kan een mens in harmonie leven, wonen, werken en rusten op een wijze die een gevoel van welbevinden geeft.

Doorgaan met het lezen van “Een gemeenschap (‘community’) is méér dan een markt. (Deel 2)”

Een gemeenschap (‘community’) is méér dan een markt. (1)

 

Voorwoord

De eerste versies van dit verhaal schreef ik in 1992. Toch is het nog in veel opzichten actueel. In sommige opzichten misschien nog wel meer dan veertien jaar geleden, toen Frits Bolkestein mij vroeg om eens een verhaal over communitarianism te schrijven. Ik was met hem in contact gekomen naar aanleiding van mijn brief ‘Onvrede over onbeheerste groei is geen xenofobie’ die NRC Handelsblad in september 1991 nogal prominent had afgedrukt. Tien jaar voordat Paul Scheffer het debat hierover zou ‘starten’, beschreef ik in die brief de maatschappij-ontwrichtende werking van het multiculturalisme: ‘Hele stadswijken worden geofferd op het altaar van het multiculturalisme, een restant van het maakbaarheidsgeloof’. Ik pleitte voor het behoud van een overkoepelende (en dus gemeenschappelijke) samenlevingscultuur als maatschappelijk richtsnoer én sociaal bindmiddel, ook in een modern land als het onze. De dag nadat die brief in de NRC had gestaan, werd ik gebeld door de secretaresse van Bolkestein: Hij wilde mij graag spreken. Wij hebben een paar gesprekken gehad in de lobby van het Amsterdamse Hilton Hotel. Hij vroeg toen of ik eens een verhaal wilde schrijven over ‘communitarianism’. Dat heb ik geprobeerd, maar gaandeweg werd het steeds meer een verhaal tégen ‘mondialisering’ (ten onrechte ook wel ‘globalisering’ genoemd). Die opvatting sprak Frits Bolkestein een stuk minder aan, en wij hebben sindsdien geen contact meer gehad.

Amstelveen, 30 november 2006.


Economie, de schaarsmaker

Gemeenschappen worden schaars in een maatschappij die kleine en grote gemeenschappen en hun onderlinge verbanden uitkleedt tot op hun louter economische functies. De mens mag dan van oorsprong een vrij sociaal wezen zijn, de homo economicus , inmiddels onderwerp van alle aandacht en beleid, is dat bepaald niet.

De kapitalistische consumptie-economie heeft geen boodschap aan gemeenschappen, alleen aan markten. Schaarste aan gemeenschapszin is dan ook niet slechts een onbedoeld neveneffect van een consequent doorgevoerd beleid dat gericht is op de optimalisatie van een vrije kapitalistische markteconomie, maar juist een produkt daarvan, net zoals bijvoorbeeld schaarsten aan andere waarden zoals natuur, schoon water, vruchtbare bodem, stilte etc. De markteconomie vereist dat alles een prijs heeft. Die marktprijs reflecteert echter de huidige schaarste, niet de toekomstige. Wat nog niet schaars lijkt, heeft geen prijs en kan dus onbegrensd worden verspild en vervuild.

Doorgaan met het lezen van “Een gemeenschap (‘community’) is méér dan een markt. (1)”

Wie wil vliegen zonder schuldgevoel, moet thuisblijven.

Suzanne Weusten besprak in de rubriek Tijdschriften (VK, 22/11 jl) het blad Goodies. Dat heeft als thema ‘de nieuwe mens’ die graag wil genieten zonder schuldgevoel. Daar is echter helemaal niets nieuws aan. Die wens is immers al zo oud als het leven op aarde. Of in ieder geval zo oud als de zondeval. Zelfs een hond kijkt schichtig als-ie een biefstuk van het aanrecht gejat heeft.

Net als bij die hond staat menselijk ‘schuldgevoel’ voornamelijk in verband met de straf die de vorige keer volgde op een soortgelijke gedraging. De redactie van Goodies wil vliegen graag straffeloos maken, zodat bij de lezers gaandeweg ook het schuldgevoel zal verdwijnen: Vlieg maar raak, desnoods drie keer per jaar een heel eind weg. De aardige jongens en meisjes van Goodies zullen graag voor jullie leuke verre bestemmingen uitproberen op kosten van de reisorganisaties en vliegmaatschappijen!

De luchtvaartindustrie mag niet klagen over deze steun uit journalistieke hoek, maar is dit wel in overeenstemming met normen van onafhankelijkheid en objectiviteit waar hoofdredacteur Pieter Broertjes zich zo graag op beroept? En hoe zit het met de waarschuwingen en aanbevelingen van Al Gore, die Engelse econoom (!) Nicholas Stern, alle wetenschappers van het IPCC en niet te vergeten Kofi Anan?! Laat Suzanne Weusten zich niet voor een paar karretjes tegelijk spannen, namelijk die van de luchtvaartlobby en die van de mensen die met Goodies een vette winst plus gratis vliegreizen willen verdienen?

Doorgaan met het lezen van “Wie wil vliegen zonder schuldgevoel, moet thuisblijven.”

'Op de zon hebben we geen invloed.' Nou èn? Bovendien deugt die kop niet.

De koppenschrijver maakt de Volkskrant ongeloofwaardig.

“Op de zon hebben we geen invloed,” is de titel van het artikel van Tjerk Gualthérie van Weezel over webcommentaren op de film An inconvenient truth. (VK, 21/10) De koppenschrijver van de Volkskrant heeft weer toegeslagen.

Die kop is namelijk geen correcte samenvatting van de inhoud van het artikel, noch een weergave van de conclusie van de auteur zelf. Het is ook niet de heersende opvatting van de mensen die verstand hebben van deze materie, en zelfs niet van al diegenen die er weliswaar geen verstand van hebben, maar wel een mening. Zoals de eindredacteur van de Volkskrant die graag zijn eigen mening als een vlag bovenop andermans artikelen plaatst.

Het is onaannemelijk dat die koppenschrijver zelf geen kranten leest, maar het is wel duidelijk dat hij lang niet alles gelooft wat daarin staat. Dat is op zichzelf heel verstandig van hem , maar het werpt wel een merkwaardig licht op zijn beroepskeuze. Koppenschrijvers doen namelijk voortdurend hun best om kranten nóg ongeloofwaardiger te maken dan zij vaak al zijn.

Doorgaan met het lezen van “'Op de zon hebben we geen invloed.' Nou èn? Bovendien deugt die kop niet.”

Verslaafd aan autorijden en vliegen.

NRC-journaliste Vera Spaans schreef op 1 februari jl een artikel over ‘de uitdijende groep uitverkorenen’ die na een korte voorbereiding mogen vertrekken naar exotische locaties ver buiten Nederland. “Duizend kilometer reizen voor fondue en assessment,” was de subtitel van een verhaal dat duidelijk bedoeld was om iedereen jaloers te maken. Ah, veel en ver reizen, en nog geld toe krijgen ook..

Terwijl bedrijven vroeger hoogwaardig talent probeerden te lokken en aan zich te binden met sportieve lease-bolides-met-gratis-benzine, tegenwoordig gebeurt dat met veelvuldige vliegreizen naar exotische bestemmingen. Als het maar brandstof slurpt, lawaai maakt en vervuilt, lijkt wel de overweging.

“Met zo’n reis willen wij ook uiting geven aan het internationale karakter van ons bedrijf,” zegt het ene bedrijf. En een ander: “We laten in New York zien hoe een internationale deal tot stand komt.” Dat zoiets ook in Nederland kan, speelt geen rol: “Het is natuurlijk een lokkertje. Zo’n reis maakt indruk.”

Doorgaan met het lezen van “Verslaafd aan autorijden en vliegen.”

'Sportief rijgedrag' is juist hartstikke onsportief en asociaal.

Terwijl verkeerslawaai één van de dingen is waar mensen zich het meest aan ergeren of zelfs depressief van worden, terwijl iedereen weet dat autoverkeer de grootste boosdoener is al het gaat om ziekmakende luchtvervuiling met NOx, roet en fijnstof, en terwijl fossiele grondstoffen in ene razend tempo opraken, wordt in auto-advertenties en -tests nog steeds de meeste nadruk gelegd op de sportieve’ kwaliteiten van nieuwe auto’s. En dat terwijl er vrijwel nergens meer ‘sportief’ gereden mag en kan worden.

Waarom worden auto’s toch steeds groter, zwaarder, krachtiger en vooral ‘sportiever’?! Alle milieuwinst van de steeds zuiniger motoren gaat helemaal verloren door de steeds grotere motorvermogens en met name door de gepropageerde rijstijl. Zogenaamd ‘sportief rijgedrag’ bestaat uit (te) hard optrekken, (te) hard rijden, (te) weinig afstand houden, (te) snel bochten nemen en (te) laat remmen. Er bestaan dus feitelijk geen merkbare verschillen tussen ‘sportief’ en agressief rijgedrag. Beide zijn een asociale vorm van autorijden.

Sportief rijgedrag moet net zo hard bestreden worden als agressief en roekeloos rijgedrag. Machomobilisten kunnen eigenlijk alleen nog in woonwijken en op binnenwegen nog ‘sportief’ rijden, want daar zijn tenminste nog spannende bochten en chicanes en bovendien wordt daar nooit gecontroleerd. Haastig overstekende wandelaars, verschrikte fietsers, angstige kinderen en weerloze huisdieren verlenen aan een sportieve rit in een woonwijk tenminste nog wat Spanning en Sensatie. Wie niet sportief rijdt, is een watje. Zolang ‘sportief’ autorijden met miljoenen guldens aan reclamegelden mag worden aangemoedigd, zullen overheid, politie en veiligheidsorganisaties het nakijken hebben met al hun futiele maatregelen en bespottelijke acties.

Doorgaan met het lezen van “'Sportief rijgedrag' is juist hartstikke onsportief en asociaal.”

‘Stikstofkaart van KNMI doet geen goed bij de querulanten’. (VK 22-10-2005)

foto
‘Sluierbewolking’ of luchtvaartsmog? Wees eens eerlijk..

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dat niet alleen weermannen en -vrouwen luchtvaartsmog beschouwen als ‘onschuldige sluierbewolking’, maar dat ook journalisten liever hun ogen sluiten voor meteorologische en klimatologische effecten van de uitstoot van het luchtverkeer, werd pijnlijk duidelijk in het katern Kennis van de Volkskrant van zaterdag 22 oktober 2005.

Daar stond een ronduit beledigend artikel van wetenschapsredacteur Martijn van Calmthout naar aanleiding van een kritische opmerking die naar 12 adressen (waaronder 6 redacties) had gestuurd naar aanleiding van een persbericht van het KNMI over de dagelijkse stikstofkaart op de website www.knmi.nl.

Mijn e-mail was geen ‘ingezonden brief’ of ‘open brief’, en was ook niet gepubliceerd. Calmthout reageerde met zijn artikel dus op een brief waarvan vrijwel niemand de inhoud kende. Minimale journalistieke zorgvuldigheid vereist dan om de inhoud van de besproken brief correct weer te geven. Dat is niet gebeurd. Als burger sta je dan machteloos. Oordeelt u zelf:

Doorgaan met het lezen van “‘Stikstofkaart van KNMI doet geen goed bij de querulanten’. (VK 22-10-2005)”

Commissie Wijffels anno 2001: De Kleine Aarde anno 1972.

Van: Robert van Waning
Verzonden: 30 mei 2001
Aan: Red Vkr Brieven

Geachte Redactie,

Het lijkt wel of de commissie Wijfels een paar oude exemplaren van het blad “De Kleine Aarde” uit 1972 heeft gevonden en letterlijk overgenomen. De aanbevelingen klinken bekend in de oren van de mensen die in al die jaren tevergeefs hebben geprobeerd om overheid, politiek, het agrarisch bedrijfsleven, media en met name de Coöperatieve Raiffeisenbank (de latere Rabo van Wijffels) ervan te overtuigen dat men met de industriële landbouw en veeteelt op de verkeerde weg was en dat deze ontwikkeling tot rampen zou leiden.

Ruim dertig jaar lang heeft niemand die er iets tegen had kunnen ondernemen, willen luisteren. Ook media hebben tonnen koelhuisboter op hun hoofd. Daarom is het ongepast dat de Volkskrant nu zo’n hoge toon aanslaat en de agrarische sector verwijt dat men niet heeft geluisterd naar kritiek. Hoe lang heeft het geduurd voordat deze krant zelf met die kritiek is gekomen?

“Te lang zijn echte keuzes vermeden.”  O zeker, maar wanneer stond het voor deze krant vast welke keuzen men moest maken? Ook uw redactie heeft, net als de rest van het Nederlandse establishment, steeds ogen en oren gesloten gehouden voor de dringende waarschuwingen uit de hoek van de milieubeweging.

Doorgaan met het lezen van “Commissie Wijffels anno 2001: De Kleine Aarde anno 1972.”

Bumperkleven is ‘sportief rijgedrag’.

Van: Robert van Waning <rvwaning@seaport-beach.nl>
Aan: anwb <info@anwb.nl>; Veilig Verkeer Nederland <klantenservice@vvn.nl>
CC: anwb autokampioen <autokampioen@anwb.nl>
Datum: donderdag 14 oktober 1999 12:46

Onderwerp: Bumperkleven is juist heel sportief

Geachte heer Woudenberg,

Hoewel ik blij zou moeten zijn met uw actie tegen het bumperkleven, heb ik toch voornamelijk het gevoel dat u dweilt met de kraan open. Campagnes als de uwe leggen het immers altijd af tegen het positieve imago dat met enorme reclamebudgetten wordt gegeven aan het sportieve autorijden op de openbare wegen.

Kunt u zich een sportieve rijder voorstellen die afstand houdt? Hoe kan hij nou ‘tussensprintjes’ houden als hij 60 meter achter zijn voorligger moet blijven? Dat schiet toch niet op?

(Te) hard optrekken, (te) hard rijden, (te) snel de bochten nemen, (te) weinig afstand houden en (te) laat remmen, zijn de voornaamste kenmerken van sportief rijgedrag, dat daarom ook niet van agressief rijgedrag te onderscheiden is.

Agressief rijden mag niet, maar tegelijk wordt ‘sportief rijden’ aangeprezen en aangemoedigd in iedere auto-advertentie en -test, zelfs van de ANWB!

Doorgaan met het lezen van “Bumperkleven is ‘sportief rijgedrag’.”

‘Agressie’ in het verkeer is juist heel ‘sportief’.

Aan: ANWB
Verstuurd op: 20 april 1999

Geachte Redactie,

De ANWB wil een einde maken aan agressie in het verkeer. Hoe onderscheidt men agressie echter van sportief rijgedrag? Dit wordt immers gepropageerd door de autobranche, bijgestaan door de autojournalistiek? Beide rijstijlen zijn te herkennen aan snel optrekken, hard rijden (scheuren), flitsend bochtenwerk, weinig afstand en de telkens fel en geïrriteerd opvlammende remlichten.

Voor medeweggebruikers bestaat er in ieder geval geen verschil. Zowel agressief als sportief rijgedrag is irritant, lawaaiig, gevaarlijk, verspillend en hoogst schadelijk voor gezondheid, milieu en economie(vanwege alle files die na aanrijdingen ontstaan). Toch mag sportief rijden wél van ANWB, VVN, BOVAG en RAI, en agressief rijden niet. Het verschil zit volgens hen in die middelvinger. Dat is natuurlijk onzin.

Het gaat om de manier waarop je rijdt en de gevolgen die dit heeft voor  medeweggebruikers: Kinderen, wandelaars, fietsers en omwonenden (lawaai).

Geen rekening houden met anderen is een vorm van agressie. Sportief autorijden buiten de daartoe bestemde circuits is een verspillende en schadelijke vorm van egoïsme waarvoor in Nederland geen plaats meer is.

De autoweg is geen sportveld. Naarmate meer ongelukken en files ontstaan als gevolg van aanrijdingen, kunnen autowegen steeds minder hun infrastructurele functie vervullen.

Doorgaan met het lezen van “‘Agressie’ in het verkeer is juist heel ‘sportief’.”