“Zijn handelsmerk is een combinatie van provoceren en confronteren. En hij weet: wie kaatst kan de bal verwachten,” schreef John Wanders in zijn hagiografische profielschets van voetbalanalist Hugo Borst. De afspraak “Als ik aardig over jou schrijf, schrijf jij dan aardig over mij?” komt in dit journalistieke genre stilzwijgend tot stand.
Bij het lezen van die zin werd ik overvallen door afgunst: Wat moet het heerlijk zijn om de bal teruggekaatst te krijgen in plaats van onmiddellijk het veld te worden uitgestuurd alleen maar omdat je die bal kaatste.
Het lijkt wel alsof alleen journalisten op alles en iedereen kritiek mogen uiten en daarbij ook best confronterend en provocerend te werk mogen gaan als zij daar zin in hebben of daar zelfs hun handelsmerk van hebben gemaakt.
Wie echter kritiek heeft op de media of de journalistiek, krijgt in ieder geval nooit het laatste woord. Sterker nog: Die kritiek is waarschijnlijk het laatste woord dat hij op die plek en op die manier heeft kunnen uiten, met een goede kans dat zijn bijdrage nog wordt verwijderd ook. Dat overkwam mij, althans, na mijn correcte kritiek op het hoofdredactionele commentaar van de Volkskrant van 10 december 2008. Die reactie werd verwijderd en ik werd verbannen uit alle reactie- en discussieruimtes op de website van deze krant. Monddood gemaakt. De mond gesnoerd. Zonder enige vorm van proces kaltgestellt. Dat is de manier waarop kritische burgers door de journalistiek worden ‘teruggekaatst’.
Doorgaan met het lezen van “'Publiek debat': Wie, wat, waar, wanneer en hoe?”
